Hier worden in 2026 drie Stolpersteine (struikelstenen) onthuld voor:
Rachel Mot-Rodrigues de Miranda
Rosalina Weinberg
Marta Burghardt-Elias
Voor Rose Lopes de Leão Laguna-Asscher is reeds een Stolperstein onthuld op de Zwaluwenweg 28 te Blaricum, alwaar zij met haar man, Baruch Lopes de Leão Laguna, ondergedoken heeft gezeten.
Rose Lopes de Leao Laguna-Asscher was samen met Rachel Mot-Rodrigues de Miranda, Rosalina Wijnberg en Marta Burghardt-Elias ondergedoken in Laren (NH) bij de familie Rem op het Zevenend 52 (Pension Bosch en Heide oftewel Huize “Rem”).
Rachel is op 30 november 1905 in Weesp getrouwd met Salomon Mot. Samen hebben zij 3 kinderen gekregen. Allen geboren in Amsterdam: Celina (2 januari 1907 – 1973), Henriette (5 december 1910 - 8 september 1967) en Meijer Max (10 september 1920 - 31 maart 1944).
Op 18 januari 1944 werd zij samen met drie andere vrouwen door Nederlandse politieagenten opgehaald vanuit haar onderduikadres Zevenend 52. Zij hebben daar ruim een jaar ondergedoken gezeten. Op 8 februari 1944 werden zij uit Westerbork afgevoerd naar Auschwitz en op 11 februari 1944 vermoord. Met uitzondering van Rosaline, die vermoord werd op 26 maart 1944.
Rosalina Wijnberg is een dochter van Bram Wijnberg en Betsij Drukker. Het gezin krijgt twee dochters Rosalina en Céline. Rosalina werkt als winkeljuffrouw en wanneer dit verboden is gaat ze vanaf 1942 als werkster aan de slag. Ze woont op de Van Baerlestraat 156. Vanaf 1937 komt haar zusje Céline bij haar wonen. Onduidelijk is hoe Rosalina in Laren terecht komt. Mogelijk kende Rosalina de familie Rodrigues de Miranda, omdat haar vader in zijn jeugdjaren inwoonde bij het gezin van Louis de Leeuw en Judith del Valle. Ene Joseph del Valle was getrouwd met Sara Rodrigues de Miranda.
Het echtpaar Bertha Frank en Julius Elias (1866-1932) woont met twee kinderen, Martha Burghardt-Elias (1895-1944) en Otto Max Elias (1897-1944), aan de Schillerstrasse 38 in Kassel. De familie runt een sportwinkel aan de Kleine Rosenstasse 1. Na een antisemitische aanval op de winkel in april 1933 emigreren Bertha, en de twee kinderen Otto en Martha en Martha's dochter Ruth naar Nederland.
Pensionhouder Hermanus Josias Rem
Rem wordt op 8 mei 1945 door de P.O.D. Laren aangehouden; aldus verklaart rechercheur Jacob Spaans. ‘Verdachte is door mij onverwijld overgebracht naar het Singerhuis te Blaricum en aldaar ter beschikking gesteld van het Hoofd van de Politieke Opsporingsdienst’. In het Proces-Verbaal van aanhouding staat dat Rem als verdachte van N.S.B. is aangehouden.
Rem verklaart te zijn geboren te Amsterdam op 19 november 1885. Hij was eind 1935 lid geworden van de NSB. Hij werkt als bakker en is eerst getrouwd met de kostuumnaaister Meinouwtje Bakker en hertrouwt op 16 augustus1917 met de Amsterdamse telefoniste Anna Maria Keuker. Anna was eerder gescheiden van ene Bakker. Verdachte stond in 1942 nog bij de NSB ingeschreven onder stamboeknummer 160842.
“In het laatst van1943 of begin 1944 zijn door de toenmalige burgemeester bij mij in mijn woning gearresteerd, vier ondergedoken Jodinnen. Ik was even voor acht uur gewaarschuwd dat de burgemeester door het dorp ging lopen. Ik was van mening dat hij ging controleren voor de verduistering en heb toen daarvoor maatregelen genomen. Ik was een paar dagen voordien ‘bekeurd’ voor deze overtreding. Ik was hier net mee klaar toen er gebeld werd en mijn vrouw de deur opende. Daar stond de burgemeester, deze deelde mijn vrouw mede dat hij een huiszoeking kwam doen in verband met het feit dat wij onderduikers zouden hebben. Wij hebben hem toen gezegd dat wij geen onderduikers in huis hadden, wel vier dames welke bij ons in pension waren. De burgemeester en de inspecteur van politie hebben toen de huiszoeking geleid en Boog heeft tegen mijn vrouw gezegd, terwijl hij haar een persoonsbewijs voorhield: “dat is toch wel te zien dat het een Jodin is, het ligt er dik bovenop’. De Jodinnen zijn toen meegenomen naar het politiebureau en ik heb later niets meer van hen gehoord. Ik ben de dag na de arrestatie gebracht naar de SD Euterpestraat te Amsterdam alwaar ik verhoord ben en dezelfde avond weer op vrije voeten gesteld werd, omdat ik volgehouden heb niet te weten dat het Jodinnen waren. Alle vier Jodinnen waren door mij ingeschreven onder hun valse naam bij de gemeentepolitie te Laren. Ik wist wel dat het Jodinnen waren doch heb hun absoluut niet verraden. Zij zijn bijna een jaar bij mij in huis geweest, dus als ik dat had willen doen dan was het wel eerder gebeurd.
“Zij waren voorzien van valse persoonsbewijzen en dit was mij en mijn vrouw bekend. De echte namen van die vrouwen weet ik niet, het waren drie Nederlandse en een Duitse. De leeftijd van deze dames was naar schatting 45-48-60 en 70 jaar. Zoals ik in de aanhef van mijn verklaring heb gezegd, werden deze vier vrouwen door de Larense politie gearresteerd. Dit geschiedde met behulp van de destijds hier aanwezig zijnde NSB-burgemeester Knipscheer. Het was die bewuste avond omstreeks 20 uur, dat aan de voordeur werd gebeld. De joodse dames waren in de huiskamer en mijn vrouw opende de voordeur. Ik kwam juist van de W.C.”
NSB Burgemeester Knipscheer na de oorlog
“Van het bureau van de Bauftragte Rombach kreeg ik toentertijd telefonisch opdracht voor een onderzoek in te stellen naar aanleiding van een daar ontvangen anonieme brief. In een perceel aan het Zevenend te Laren. Inspecteur Boog en ik zijn daarheen gegaan en wij troffen daar vier vrouwen aan. Uit hun papieren zou blijken zat zij Arisch waren, maar waarvan wij vermoedden dat het Jodinnen waren. Boog heeft ze doen transporteren naar het politiebureau. Ze hebben daar die nacht doorgebracht en de volgende morgen kwam Boog mij ongevraagd triomfantelijk vertellen, dat nu vast stond dat het Jodinnen waren, volgens mijn mening heeft Boog deze mensen opgeofferd om de Duitse autoriteiten te tonen dat de door deze geuite klacht dat Boog niet veel uitvoerde ongegrond was.”
Paulus van Heiningen, oud 27 jaar, van beroep magazijnbediende, wonende te Laren NH, Kloosterweg 38 die verklaarde:
“In het laatst van 1943 of begin 1944 ben ik een keer een avond op pad geweest om mensen te waarschuwen, dat de toenmalige burgemeester van Laren, die avond ‘op stap’ zou gaan met enkele politiemensen. Ik heb toen ook Rem gewaarschuwd en hem gezegd dat de burgemeester met vier agenten door het dorp ging en in de richting van zijn woning kwam. Rem antwoordde mij dat hij dacht dat het wel voor de verduistering zou zijn en dat hij zijn gordijnen wel dicht zou doen. Hij had een paar dagen te voren ook net een ‘bekeuring’ gehad voor ‘uitstralend’ licht, zoals hij mij mededeelde en hij was van mening dat de burgemeester daarvoor ging controleren in het dorp.”
Bron: Herinneringsbomen Laren