Woensdag 5 juni 2024 werden op de Leemkuil 11 in Laren twee nieuwe Stolpersteine (struikelstenen) onthuld, in het bijzijn van nabestaanden, voor:
Emile Wolf
Jantje Geertruida Wolf-Levit
In 2026 wordt hier nog een Stolperstein (struikelsteen) aan toegevoegd voor Bernhard Rosenbaum.
Het was 5 juni 2024 dat de onthulling plaatsvond van de monumenten voor mijn opa en oma en mijn overgroot oma. Op deze mooie dag, ook toevallig mijn verjaardag, werden op de Leemkuil 11 en de Neuhuysweg 1, drie Stolpersteine onthuld.
Mijn opa en oma; Emile Wolf en Jantje Wolf-Levit zaten met nog een paar anderen joodse mensen ondergedoken op de Leemkuil 11, mijn overgroot oma, Sara Levit - Bargeboer, zat ondergedoken op de Neuhuysweg 1. Dit was 1942. Mijn opa en oma hadden de vooruitziende blik en de ongelofelijke dapperheid om hun pasgeboren baby, mijn vader, weg te brengen en te laten onderduiken bij een kinderloos echtpaar, de familie Testas in Blaricum.
Mijn vader heeft daardoor de oorlog overleefd, maar zijn ouders en oma zijn alle drie in 1943 verraden, opgepakt en vermoord. Ik vind het zeer ontroerend en bijzonder mooi dat we met deze prachtige Stolpersteine de herinnering levend houden aan de slachtoffers van het wrede nazisme en dus in dit specifieke geval mijn voorouders.
Mijn vader, nu 82 en woonachtig in Portugal, was aanwezig bij de onthulling en was net als ik zeer geraakt door de onthulling. Ook de huidige bewoners van de beide adressen wil ik zeer bedanken; we zijn door hen met veel openheid en liefdevolle warmte ontvangen.
Jetske Hoeksema (onderduikgeefter) werd op 23 februari 1894 geboren in Groningen in het eenvoudige arbeidersgezin van Sietse en Jacobtje Hoeksema-Scheerstra. Zij is achttien als ze zich in Amsterdam inschrijft. Ze is er enige tijd dienstbode, onder meer aan de Herengracht. Een paar jaar later, in 1916, volgt ze een interne opleiding in het Wilhelminahuis, ‘opgericht om beschaafde jonge vrouwen die den leeftijd van 18 jaren bereikt hebben, een proeftijd te doen doormaken, waarna zij, voldaan hebbende aan de eischen welke de inrichting haar stelt, geplaatst worden in een der krankzinnigen-inrichtingen als verpleegster'. Ze slaagt en gaat aan het werk in psychiatrische inrichting Oud Rozenburg in Loosduinen. Na een verblijf in Utrecht en in Rotterdam waar ze particulier verpleegster is, komt ze in Amsterdam terug. In 1926 bevalt ze er van een zoon en in 1928 van een dochter. Vader is de tekenaar/bloemist Hermanus Jan Schuurman met wie ze niet trouwt maar die de kinderen, Vera en Thijl, erkent. Die laatste, Thijl Schuurman, was in Laren onder meer bekend als leider bij Scoutinggroep ’t Raboes. Hij overleed in 1999 in Blaricum.
Met haar beide kinderen maar zonder hun vader woont Jetske in de jaren na hun geboorte in de Reinier Claeszenstraat 80 en later in de Cornelis Trooststraat 28 in Amsterdam. Eind 1929 vertrekt ze naar Blaricum om bij Hoog Laren te gaan werken. Na Blaricum is Laren haar nieuwe woonplaats. Met Schuurman en de kinderen woont ze een tijdje op Ericaweg 7. Dan vertrekt hij naar Amsterdam. Zij blijft in Laren maar verhuist met enige regelmaat om uiteindelijk in december 1939 De Leemkuil 11 te betrekken. Mogelijk huurde zij het pand en was zij zelf ‘verhuurster’. Het best forse landhuis op De Leemkuil 11 bood voldoende ruimte voor enkele onderduikers. Al was het maar op de kleine vliering (zonder vaste trap) direct onder het dak.
Bij de razzia van 1943 wordt ook zij gearresteerd en naar Amsterdam overgebracht. De vijf arrestanten werden door de Larense politiemannen Hordijk en Geurts naar Amsterdam gebracht. Onderduiker Park weet te ontsnappen. Maar het lot van de volgende drie arrestanten wordt haar als niet joodse bespaard. Zij keerde terug naar de Leemkuil.
Jantje (Jenny) Geertruida Wolf-Levit, geboren in Amsterdam op 23 april 1916, is de oudste dochter van Philip Levit (Groningen 1886), directeur van N.V. (Regen-Kleedingindustrie) Levit & Co., gevestigd in Amsterdam aan Hemonylaan 26. Jenny Levit stond daar tot 1940 ingeschreven, samen met haar ouders, broer en zus en met Emile Wolf. Vlak voor de Duitse inval, per 1 mei 1940, verhuisde het gezin Levit naar Zandvoort. Daar werd, in hun nieuwe huis, een maand later de receptie gegeven ter gelegenheid van het huwelijk van Jenny en Emile. Het nieuwbakken echtpaar ging aan de Den Texstraat 34 in Amsterdam wonen. Daar werd op 13 maart 1942 hun zoon geboren.
Tien dagen nadat ze in Laren werd opgepakt, op 23 juli 1943 wordt Jantje Geertruida Wolf-Levit in Sobibor vermoord.
Emile Wolf, geboren in Amsterdam op 5 juli 1916 als zoon van Matthys Wolf, kok, (Den Haag 1880- Auschwitz 1942) en Roosje Nerden (1893-1960) was getrouwd met Jenny Levit. Emile zou als journalist bij De Telegraaf aan het begin van de Duitse bezetting zijn ontslagen: joods. Waarna hij, in ieder geval op het papier van het Amsterdams Bevolkingsregister, vertegenwoordiger werd bij een confectiefabriek.
Emile Wolf werd op 23 juli 1943 in Sobibor omgebracht.
Bernhard Rosenbaum is de derde van de joodse arrestanten. Geboren in 1886 in Peckelsheim (Dld) belandt hij, koopman, in 1938 met vrouw Erna Loeb (Hermine Erna Alice; Straatsburg 1886) en zoon Paul (Bonn 1915) vanuit Keulen op de Cliostraat in Amsterdam. Na korte tijd gaan ze aan de Milletstraat 58 wonen waar een Stolperstein nu herinnert aan Auguste (Weismann-)Loeb die er in dezelfde tijd woonde.
Mogelijk was het gezin Rosenbaum-Loeb, zoals veel Duitse joden, voor de nazi’s naar ons land gevlucht. Twee jaar na hun aankomst hier overlijdt Erna. Als zoon Paul aan het begin van de oorlog trouwt blijft Bernhard Rosenbaum alleen achter. Ook in ons land blijkt hij niet veilig voor de nazi’s. Hij duikt onder in Laren. Met het bekende gevolg: verraden en op 23 juli 1943 in Sobibor vermoord. Zijn zoon overleeft de oorlog wél.
Bron: Herinneringsbomen Laren