Hier worden in 2026 twee Stolpersteine (struikelstenen) onthuld voor:
Karl David Horn
Sigmund Horn
Siegmund (geboren 1878) en zijn oudste broer Karl David (1871) hadden na de Eerste Wereldoorlog een onderneming in lakken en beitsen, "Zweihorn" opgericht. Dat succesvolle bedrijf (anno 2021 onderdeel van Akzo Nobel) hadden ze vóór Hitler aan de macht kwam met grote winst verkocht. Ze hadden nog twee broers: Jakob Leopold (1876) en Bernhard (1881). Hun ouders, Isaac Horn en Minna Horn-Falk, zijn al vóór 1933 overleden.
Als Siegmund na vier dagen in KZ Dachau terugkeert in Keulen zal er familie-overleg geweest zijn. Vertrekken uit Duitsland of blijven? De familie is vermogend, maar bij vertrek uit Duitsland zullen alle bezittingen geconfisqueerd worden. Ook mag er maar een miniem geldbedrag meegenomen worden. Bovendien maken andere landen de toegang voor Joodse vluchtelingen steeds moeilijker. De broers besluiten vooralsnog in Duitsland te blijven: ze zullen gehoopt hebben dat ze dankzij hun geld en connecties de storm kunnen overleven.
Als de deportaties in Keulen al begonnen zijn, vluchten Karl David en Siegmund naar Nederland. Ze zijn, via een bankrelatie die als Duits reserve-officier in Nederland gelegerd is, in contact gekomen met Louise Schuiringa-Otto, een in Duitsland geboren vrouw die in een villa in Laren een pension bestiert. Zij wil de broers wel onderdak bieden. Ze hoeven alleen maar te betalen voor kost en inwoning. Daarnaast moeten ze een schenkingsakte opstellen, waarin staat dat, mocht hen iets overkomen, zij al hun bezittingen aan haar nalaten. In deze akte wordt zij als “verloofde” van een van de broers genoemd. De broers ondertekenen het document, zonder te beseffen dat ze daarmee hun eigen doodvonnis vellen.
Begin juli 1942, geeft “tante Loekie” aan Gijs Gieskens, een dan zestienjarige jongen die allerhande klusjes verricht voor de bewoners van de villa’s aan de Vredelaan, de opdracht om een diepe kuil te graven, waarin ze haar koperwerk kan verstoppen. Dit om te voorkomen dat de Duitsers het in beslag nemen. Dit verbaast Gijs, want hij weet dat de weduwe nauwelijks koperen voorwerpen bezit. Maar hij begint te graven en graaft – op aandrang van Louise – een steeds groter wordende kuil. Uiteindelijk, op zaterdagavond 11 juli 1942 is deze drie meter diep, twee meter lang en anderhalf meter breed. Gijs heeft een ladder nodig om eruit te klimmen. Karl en Siegmund Horn, de Duits-Joodse onderduikers, kijken verwonderd toe. De volgende dag zijn de broers verdwenen. Ook is de kuil deels dichtgegooid – maar niet door Gijs. Louise vertelt hem en anderen dat de broers naar Zwitserland vertrokken zijn. Na de oorlog in 1951 blijkt dat de gebroeders Horn zijn vermoord en in de kuil gedumpt zijn.
Niet lang daarna reist ze met de schenkingsakte af naar de bank in Nijmegen, Ze eist daar de bezittingen van de gebroeders Horn op. De directeur, J.G. Coster, weigert deze af te staan. Hij wijst haar erop dat in de akte staat dat ze alleen erft als de beide broers dood zijn. Vervolgens laat ze twee “vrienden”, de Larense politiebrigadier J. Frijters en de Naardense veearts en NSB’er dr. H. ter Beek notariële aktes opstellen, waarin ze verklaren dat de gebroeders dood zijn. Met die aktes reist ze af naar Nijmegen. En weer weigert Coster haar de kostbaarheden van de gebroeders Horn mee te geven. Dan schakelt Louise een andere “vriend” in: Abraham Cense, tot 1939 rechercheur bij de politie in Bussum en sedertdien werkzaam als privé-detective. Ze vraagt hem alles in het werk te stellen om de nalatenschap van de Horns te bemachtigen. Cense gaat naar de bank in Nijmegen en doet zich voor als lid van de Duitse Sicherheitsdienst, de SD. Hij vertelt bankdirecteur Coster dat de gebroeders Horn in Frankrijk gefusilleerd zijn. Maar omdat Cense geen overlijdensaktes kan tonen, weigert Coster wederom de bezittingen af te staan. Cense dreigt vervolgens de SD in te schakelen. Coster blijft weigeren........
Bron: Herinneringsbomen Laren