Hier worden in 2026 vijf Stolpersteine (struikelstenen) onthuld voor:
Samuel Joseph Leefsma
Susanna Leefsma - Mogendorff
Wilhelm Ruthenburg
Paul Sittner
Regina Sittner - Perl
Wilhelm Ruthenberg was de oudste zoon van Hermann en Auguste Ruthenburg-Windmüller. Hij groeide op in Gütersloh/DE. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij bij het Garde-Schuttersbataljon in Lichterfelde bij Berlijn. In Marokko werd hij door de Fransen gevangengenomen, maar wist in 1918 te ontsnappen. In 1921 trouwde hij met Selma Ostheimer. Wilhelm wordt veehouder en in 1927 verhuizen ze naar Bielefeld en buiten Maagdenburg. Op enig moment gaat hij scheiden van Selma Ostheimer. Begin 1938 verhuist hij vanuit Duitsland naar Blaricum, waar sinds december 1937 zijn jongere zusje Anna Ruthenburg (die getrouwd is met de Joodse veehouder Fritz Rosendahl) woonde. In april 1938 verhuist Wilhelm naar Baarn waar hij een eigen veeteelt bedrijf begint. Hij trouwt hier in mei 1938 met Emma Stern die ook oorspronkelijk uit Gütersloh afkomstig is. Volgens de Amsterdamse schoenwinkelier Henri de Lange (1897-1963) is Wilhelm direct na aankomst in Auschwitz vergast.
Emmy Ruthenburg-Stern: ‘Ik ben op 10-5-1938 in Baarn getrouwd met Willem Ruthenburg en woonde daar vanaf die tijd op de Piet Heinlaan 2. Vanwege de Jodenvervolging ben ik met mijn man op 27 juli 1942 ondergedoken bij een boer in Nijkerk. Toen wij daar eenmaal waren bleek ons, dat het daar niet de juiste plaats voor ons was, omdat de boer zich veelvuldig aan clandestiene slacht schuldig maakte. Ook liet de boer ons duidelijk merken, dat hij ons liever kwijt dan rijk was. Zodoende vertrokken we na vier maanden naar een drukker in Baarn. Wederom na vier maanden begon hij met het drukken van illegale bladen en vonden wij het beter om ook daar niet te blijven. Op een dag werd er een Joods meisje genaamd Marianne als onderduikster gebracht, door een jonge vrouw die zich Johanna noemde. Wij hebben toen aan haar gevraagd of zij voor ons niet een ander adres wist. Johanna is toen een paar maal bij ons geweest, maar had voor ons nog geen adres. In januari 1944 werd er door de SD een inval gedaan bij deze drukker, waarbij de drukker en zijn zoon werden gearresteerd. Mijn man en ik wisten aan arrestatie te ontkomen door ons in een kast te verbergen. Uit angst zijn mijn man en ik diezelfde nacht nog gevlucht en hebben toen één nacht bij dr. Van der Kroon doorgebracht. Vandaar zijn wij naar kennissen in Laren gegaan en na aldaar bij vijf verschillende families te zijn geweest, troffen wij bij één dezer Johanna weer aan. Er waren in Laren zo dikwijls razzia’s, dat we zelfs verschillende nachten in een hooiberg doorgebracht hebben. Via meneer (Jan) Van Heiningen, een illegaal werker van de Kloosterweg 38, waar wij het laatst in huis waren, zijn wij begin april 1944 ondergedoken in pension Ruimzicht. Ook vanuit dit pension zochten we naar een andere onderduikplek, omdat we vonden dat we te dicht bij onze oorspronkelijke woonplaats Baarn zaten en het risico liepen op straat herkend te worden. Johanna Bottema vertelde op een dag dat ze iemand had gesproken, die een ander adres voor ons wist.’
In een brief vertelt Emmy Ruthenburg dat ze gezamenlijk één week opgesloten zaten in de Weteringschans en dat ze daarna afgevoerd werden naar kamp Westerbork. Hier zaten ze elf dagen, voordat ze op 19-5-1944 gezamenlijk op transport gingen naar Auschwitz. Wanneer dit wordt teruggerekend blijkt dat ze op dezelfde dag gearresteerd zijn (nl. 1-5-1944) als de acht joodse onderduikers die in Hotel Ruimzicht in pension zaten. Blijkbaar zaten Wilhelm Ruthenburg en zijn vrouw Emma Ruthenburg-Stern op het moment van de arrestatie samen met Samuel (Saam) Leefsma en Susanna (Suze) Leefsma-Mogendorff ondergedoken. Dat correspondeert ook met de gegevens op de Joodse Raad cartotheekkaarten waarop hun aankomst en transport naar het Oosten onder andere op staat vermeld.
De orthodox-Joodse families Leefsma en Mogendorff woonden al generaties in Gouda. De vader van Samuel Leefsma opent rond 1877 het bedrijf ‘D. Leefsma & co’. De zaak heeft een uitgebreid assortiment dames-, heren- en kinderkleding, bedden, dekens en lakens. goed Joods gebruik is de zaak op Joodse feestdagen en sabbat gesloten. Samuel wil echter godsdienstleraar worden. Hij legt in december 1890 succesvol het zangexamen af aan de Stedelijke Muziekschool. Ook speelt hij verdienstelijk viool. Vervolgens vertrekt hij naar Amsterdam (1895-1898) waar hij inwoont bij de eveneens uit Gouda afkomstige conrector van het Joodsch seminarie, rabbijn Mozes Monasch (*1852) die aan de Prinsengracht 86 woont. Hij werkt er als bediende (vermoedelijk bij een kleermaker) en slaagt in 1897 voor het toelatingsexamen voor het behalen van de akte van Israëlitisch godsdienstonderwijzer. Na ’n jaar keert hij weer terug naar Gouda om in de zaak bij zijn vader aan de slag te gaan. In 1909 trouwt hij met Suzanna Mogendorff.
Samuel Leefsma en Susanna Mogendorff hadden vijf kinderen, waarvan twee tweelingen: Henriëtte en David, Adele en twee kinderen die door onder te duiken de oorlog hebben overleefd.
Gijsbert Ton, oud 33 jaren, pensionhouder: ‘In de bezettingstijd verschafte ik in mijn pension Ruimzicht te Laren onderdak aan Joodse onderduikers en verrichtte ik illegale arbeid onder meer in samenwerking met Johanna Bottema. In april 1944 waren bij mij onder andere ondergedoken het Joodse echtpaar Ruthenburg en het Joodse echtpaar Saam en Suze Leefsma (alias De Groot). Het eerstgenoemde echtpaar zocht, daar het zich bij mij niet veilig voelde een ander onderduikadres. Hetwelk juffrouw Bottema hun bezorgde door bemiddeling van Deckers. Deze heeft eens bij mij in het pension met mevrouw Ruthenburg deze gelegenheid besproken, waarbij hij haar en haar man een nieuw adres in Brabant in het vooruitzicht stelde. Ik heb toen van Deckers, de toezegging gekregen dat hij voor illegale persoonsbewijzen zou zorgen voor een in Hilversum wonende Joodse familie Sittner, welke familie toen door Deckers en mij voor dat doel is bezocht.’ Gijsbert Ton heeft gedurende de bezetting in totaal ongeveer 150 mensen als onderduiker onderdak verleend.
Na de oorlog wordt Deckers aangeklaagd voor de vrijheidsberoving van Johanna Bottema, Cornelis Visser, Wilhelm Ruthenburg en Emmy Ruthenburg-Stern, Samuel en Suzanne Leefsma, Paul Sittner en Regina Sittner-Perl vanwege de vijand gearresteerd en van hun vrijheid beroofd gehouden, van wie Cornelis Visser, Wilhelm Ruthenburg, het echtpaar Leefsma en echtpaar Sittner in Duitse gevangenschap zijn overleden. Deckers wordt uiteindelijk verminderd toerekeningsvatbaar verklaard en krijgt bij de procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof een gevangenisstraf van 10 jaar met TBS. Bij de Bijzondere Raad van Cassatie te ’s-Hertogenbosch op 23-3-1948 wordt besloten dat Deckers 10 jaar met tbs krijgt. Wanneer hij tijdens z’n proeftijd van 3 jaar geen strafbare feiten pleegt dan vervalt de tbs. In 1950 krijgt Deckers van koningin Juliana ‘gratie van 1 jaar’.
Bron: Herinneringsbomen Laren